Afghanistan-plannen Obama niet zonder risico

Ali Gharib

De nieuwe Afghanistan-strategie van de Amerikaanse regering is niet zonder risico, zeggen deskundigen die reageren op berichten in de media. Officieel worden de plannen pas in de komende weken bekendgemaakt.

Op grond van een serie interviews met overheidsfunctionarissen, zegt de New York Times dat het plan om de Taliban te verzwakken vooral gericht is op het beïnvloeden van Taliban-aanhangers die de harde ideologische lijn van de leiders niet volgen.

Zo’n 70 procent van de Talibanstrijders zou bestaan uit ‘voetsoldaten’, die de extreme doelen van de Taliban en al-Qaeda niet delen. Omdat de Talibanstrijders veel steun krijgen van uit de grensregio met Pakistan, zal de nieuwe Amerikaanse regering zich ook moeten richten op dat land bij het bestrijden van fundamentalisme.

In de overwegingen van de Amerikaanse regering klinken veel punten door die ook te vinden zijn in een nieuw rapport van de International Crisis Group (ICG) dat vrijdag verscheen. De ICG is echter voorzichtiger als het gaat om het beïnvloeden van opstandelingen en ambitieuzer over de doelen voor de Afghaanse regering.

Tijdens een NAVO-bijeenkomst afgelopen week in Brussel, verdeelde de Amerikaanse vice-president Joe Biden de Afghaanse opstandelingen in drie groepen: 5 procent harde ideologen waarmee niet te praten valt, 25 procent aanhangers waarbij getwijfeld kan worden aan hun loyaliteit en 70 procent aanhangers voor wie “betaald krijgen” de enige motivatie zou zijn.

Foute vergelijking

De etnische Pathanen (Pashtun) die sympathiseren met de Taliban, opereren aan beide zijden van de Afghaans-Pakistaanse grens. Die groep vormt echter geen monoliet, maar is afhankelijk van een grote verscheidenheid aan allianties met kleinere groepen die niet noodzakelijk het extremisme van de Talibanleiders delen.

De verdeeldheid versterkt het idee dat de opstandelingen – in dit geval vooral door geven van geld – overgehaald kunnen worden hun gewelddadige oppositie tegen de centrale Afghaanse regering op te geven. Een dergelijke strategie werkte in Irak, waar soennitische strijders 300 dollar per persoon kregen om zich aan te sluiten bij door de VS gesteunde milities.

De ICG wijst er op dat de strategie die in Irak werkte, niet automatische ook in Afghanistan werkt. “Afghanistan zit vol met wapens en gewapende groepen”, staat in het rapport. “Het creëren van onverantwoordelijke lokale milities – gebaseerd op een foute vergelijking met Irak – zal alleen maar leiden tot meer spanningen en geweld.”

Het rapport stelt dat de inspanningen in de eerste plaatst gericht moeten zij op het versterken van Afghaanse instituten, de wetshandhaving en het bestrijden van de corruptie. Er moet “meer democratie gecreëerd worden, niet minder.”

In een lijst met aanbevelingen over wat juist niet moet gebeuren, noemt de ICG het onderhandelen met jihadistische groepen, in het bijzonder vanuit een zwakke positie. Het losweken van deze strijders blijft wel een optie, maar de ICG wijst erop dat afspraken in zowel Afghanistan als Pakistan eerder niets opleverden.

Voormalig CIA-functionaris Milton Bearden, die in de betrokken was bij pogingen om milities op te zetten tegen de Russen, na de Russische invasie in Afghanistan in de jaren tachtig, maakte afgelopen week soortgelijke opmerkingen tijdens een bijeenkomst in het Nixon Centre. Bearden gaf destijs 250.000 dollar aan de leider van de Noordelijke Alliantie, Ahmad Shah Massoud, maar die was volgens hem “even loyaal aan mij als aan mijn Sovjet-collega.”

Veiligheid

Op het gebied van veiligheid stelt het ICG voor om meer aandacht te besteden aan de steeds beter functionerende Afghaanse Nationale Politie en meer energie te steken in de bescherming van burgers dan in het uitvoeren van tijdelijke acties gebieden die onder controle staan van de Taliban.

Het lijkt er echter op dat de Amerikaanse regering zich meer op Pakistan wil gaan richten, ten koste van de opbouw van instituten in Afghanistan, om te voorkomen dat de Afghaans-Pakistaanse regio een broeinest van extremistische aanvallen tegen het Westen wordt. Volgens de New York Times is er nog een debat gaande over hoeveel hulp Pakistan moet krijgen, vooral als het gaat om niet-militaire steun.

Bron: IPS, 15/03/2009