Afghanistan: Obama’s Vietnam?

Gie Goris

Afghanistan staat boven aan de internationale agenda –al is daar in Fortisstan voorlopig niet veel van te merken. Straks moet echter ook de Belgische regering mee in het bad van een grotere militaire aanwezigheid in een land dat alweer het toneel is van een kleine wereldoorlog. Tijd voor twijfel.
Barack Obama besliste deze week wat allang beslist was: er gaan meer Amerikaanse soldaten naar Afghanistan. Bovenop de 36.000 manschappen die Washington op dit moment al in Afghanistan heeft, komen er in eerste instantie nog eens 17.000 bij. Dat zijn er een kleine 10.000 minder dan de bevelhebbers in Kaboel gevraagd hadden, maar daar wordt wel een mouw aan gepast zodra er genoeg divisies uit Irak kunnen vertrekken.

Bovendien zijn er nog de Europeanen. Amerikaans vice-president Biden waarschuwde begin februari in Munchen al dat de VS meer willen luisteren naar hun bondgenoten, maar tegelijk ook meer zullen vragen. Als Obama in april naar Straatsburg komt voor de viering van 60 jaar Navo verwacht hij duidelijk meer dan gekoelde Franse champagne en schuimend Duits bier.
Europees politiek debat

Dat zou geen onoverkomelijk probleem mogen zijn, want de Europese Navo-landen willen ten overstaan van de man die verandering belichaamt mordicus bewijzen dat ze nog steeds aan dezelfde Atlantische Oceaan liggen als de Verenigde Staten. Navo-secretaris Jaap de Hoop Scheffer verwoordde dat eind januari op een debat van de Security and Defense Agenda zo: ‘Je kan niet volstaan met applaus voor president Obama en zeggen dat je al zo lang wacht op change, terwijl je als die verandering werkelijk plaatsvindt, antwoordt dat de familie vanavond niet thuis is, dat de VS maar bij de buren moeten aanbellen.’

Afghanistan zal de komende weken dus hoog op de agenda gezet worden van alle Europese regeringen. Italië en Duitsland heeben al laten weten dat ze respectievelijk 500 en 600 extra soldaten sturen, Groot-Brittannië vindt dat het al te lang te veel doet, terwijl Spanje, Frankrijk en Nederland zo’n uitbreiding vooraf uitgesloten hebben. Uiteraard zal ook minister De Crem weer ontkennen dat hij om meer soldaten of F16’s zal verzoeken.

De politieke debatten zullen kort en hevig zijn, maar het publiek komt er niet aan te pas, want dat weet nauwelijks wat er op het spel staat. De informatie over de oorlogstoestand in Afghanistan en over westerse plannen en mogelijke gevolgen is zodanig gecontroleerd door de militairen en hun politieke brothers-in-arms dat een zinvol gesprek in de publieke ruimte heel moeilijk wordt.

Het feit dat Defensie nog steeds weigert om feitelijke gegevens vrij te geven over onze aanwezigheid in Afghanistan –bijvoorbeeld over het aantal uitgevoerde bombardementen door onze F16’s en het aantal burgerslachtoffers dat daarbij gevallen is– bewijst dat we onze democratie wel willen exporteren naar de Hindu Kush, maar niet al te letterlijk willen beleven tussen Adinkerke en Arlon.
Schaakmat in Afghanistan

Tijdens een recente reportagereis voor MO* in Kaboel en Kandahar ontmoette ik geen enkele Afghaan die geloofde dat een plotse vermeerdering van het aantal buitenlandse soldaten het veiligheidsprobleem van het land zou oplossen. Telkens wezen de Afghanen er op dat een uitbreiding van buitenlandse troepen leidt tot een toename van het aantal aanslagen en gewelddadige confrontaties met opstandelingen.

Sleutelfactor is, volgens velen, de legendarische nationale trots die nog nooit een buitenlandse bezetting van Afghanistan toeliet. En dat is wel degelijk hoe de westerse aanwezigheid vandaag ervaren wordt: als een bezetting. Met enige zin voor creatieve logica concludeert de Afghaanse straat dan dat een vermindering van het aantal buitenlandse soldaten ook voor minder geweld zal zorgen.

Navo-militairen en regeringsmensen hebben daar een heel andere kijk op. Zij verklaren de spiraal van troepenaantallen en geweld door het feit dat meer soldaten gewoon in staat zijn om meer confrontaties aan te gaan en de opstand op zijn eigen terrein -het Afghaanse platteland- te bestrijden. Beide verklaringen zijn juist. Dat betekent dat een westerse surge beantwoord zal worden met een nationalistische surge, zeker in het Pathaanse hartland in Zuid-Afghanistan.

In dat geval is een politieke overwinning voor de pro-westerse, anti-taliban krachten verder weg dan ooit, zelfs al zou een militaire overwinning als bij wonder plaatsvinden –al gelooft zelfs Obama niet in mirakels. Anderzijds betekent het ook dat een vermindering van buitenlandse aanwezigheid misschien wel leidt tot minder geweld, maar zeker ook tot meer controle van het Afghaanse grondgebied door de taliban. Niet meteen een consequentie die veel wereldleiders willen aanvaarden.
Verkeerde prioriteiten

De impasse waarin het Afghanistanbeleid terechtgekomen is, werd vorige week goed samengevat op de cover van Newsweek met de titel: “Obama’s Vietnam”. Eén van de parallellen die de auteurs van dat coververhaal zien, is de vaststelling dat in Afghanistan, net als destijds in Vietnam, het motto lijkt te gelden: ‘When in doubt, escalate.’ En zoveel te groter de twijfel over de te volgen strategie, zoveel te sneller men de militaire aanwezigheid opvoert.

Wat vandaag verkocht wordt als een bewijs van vastberadenheid, is in feite een uitdrukking van radeloosheid. Newsweek citeert de Amerikaanse minister van Defensie Robert Gates: ‘Waar ik me zorgen over maak, is dat de Afghanen ons veeleer gaan zien als een deel van het probleem dan als een deel van de oplossing. Als dat gebeurt, zijn we verloren.’ Zijn voorwaardelijke toekomstige wijs is misleidend of getuigt van gebrekkige terreinkennis. Wat Gates vreest, is vandaag immers allang realiteit.

Het Westen heeft verloren, omdat het op de verkeerde ambities ingezet heeft. Volgens Falling short. Aid effectiveness in Afghanistan, een rapport van de ngo-koepel Acbar uit maart 2008, spendeerde het Amerikaanse leger gemiddeld honderd miljoen dollar per dag aan de Afghaanse oorlog, terwijl de hele internationale gemeenschap samen zo’n zeven miljoen dollar per dag opbrengt voor hulpprogramma’s.

Ook de Belgische uitgaven tonen die scheefgetrokken verhouding: in 2009 zou België minstens 42 miljoen euro uitgeven aan de militaire aanwezigheid, terwijl ontwikkelingssamenwerking zo’n 7 miljoen euro vrijmaakt voor Afghanistan.

Van de 25 miljard dollar aan internationale hulp die sinds 2001 beloofd werd, is bovendien slechts 15 miljard effectief beschikbaar gemaakt. En van dat geld keerde niet minder dan veertig procent terug naar de donorlanden in de vorm van onder andere lonen voor consultants en winsten van betrokken privé-ondernemingen.

Het Westen heeft zich van kop tot teen in kaki gehuld en verschijnt bijna uitsluitend in gepantserde vorm op de Afghaanse straat, terwijl het aantal doden door honger en armoede een vijfentwintigvoud is van het aantal slachtoffers van de oorlog. De VN Veiligheidsraad voegt daar nog aan toe dat die honger en armoede het gevolg zijn van de oorlogen. Hopelijk is er op de Navo-top in Straatsburg tijd om even na te denken voordat het hele Westen zich als een troep lemmingen achter Obama van de militaire klif stort.

Bron: MO*, 21/02/2009